‘Een nieuw jaar, Louise’, zei Claude tegen zijn opvolgster als burgemeester van Artichaut-les-Bains. ‘Waar zullen we eens mee beginnen?’


Louise, uitbaatster van de stokoude herberg Le Coq Hardi, de enige uitspanning die het dorp rijk was, keek hem aan. ‘On commence à faire de café’, stelde ze vast, de espressomachine aanzettend en twee kopjes pakkend. ‘Merde’, zei Louise, ‘vanmiddag gemeenteraad. Weer uren opgescheept met die seksistische mannetjes, met hun gezeur over de nieuwe verkeersmaatregelen en de verhoogde boetes.’

Ze zette Claude en zichzelf een dampende espresso voor en keek omlaag. ‘Die spijkerbroek zal ik straks moeten verwisselen voor een deux-pièces, terwijl die boeren zelf op hun klompen de Mairie binnenklossen, sommigen zelfs met de pruimtabak nog in een wangzak. Claude, hoe heb je het zelf al die jaren kunnen volhouden als maire van Artichaut?’ De aangesprokene snoof aan zijn koffie en nam er een genoeglijk slokje van.

‘Doorzettingsvermogen’, stelde hij vast. ‘Moed en vertrouwen.’ Uiteindelijk heeft zo’n gemeenteraad meestal niks te zeggen, mompelde hij er achteraan.

‘Je hebt het trouwens prima gedaan, Louise’, hernam Claude, z’n kopje nog eens ophoudend. ‘Goed, Martine Aubry is al jaren burgemeester van Lille en Anne Hidalgo zelfs van Parijs. Maar in de provincie heb jij het glazen plafond doorbroken. De préfet is bijzonder tevreden over je. En dan heb ik het, dit onder ons gehouden, over een seksist van het zuiverste water.’ Louise liet het espressoapparaat nog eens zijn werk doen en zette bij Claude een glas calvados neer. Een halfvol glaasje weliswaar, want het was per slot van rekening nog niet eens midi.

‘Eigenlijk’, zei Louise, ‘doet Frankrijk het emancipatoir niet eens zo slecht, althans niet in de politiek. Vergelijk dat eens met het nieuwe Nederlandse kabinet. De grootste partij daarin, die van de rechts-liberalen, heeft volgens mij niet eens de moeite genomen naar getalenteerde vrouwen te zoeken voor belangrijke ministersposten.’ Claude nipte van zijn calva. ‘Nee’, beaamde hij. ‘Het zijn nog steeds vooral de haantjes die daar de dienst uitmaken. De kipjes mogen zich verzoenen met de kruimels.’

Louise keek op haar gouden klokje, geërfd van de eeuwenoude Marie, haar een jaar geleden overleden moeder. ‘Ik moet me voorbereiden en omkleden, Claude’, zei ze, ‘om twee uur begint de raad. Als die kerels een beetje op tijd komen, natuurlijk.’ Natuurlijk, mompelde Claude.