Naast Stientje van Veldhoven-Van der Meer zat een vreselijke man.


Hij leek me ambtelijk – op zich geen bezwaar –, maar terwijl Stientje de kabinetsplannen voor de toekomst in het verkeer en vervoer toelichtte, zat de man naast de staatssecretaris van Infrastructuur en Rijkswaterstaat, zich vervelend, in het openbaar te niezen, zijn neus te snuiten en, god betere het, zijn brillenglazen af te likken. Ik keek naar het commissieoverleg van de Tweede Kamer over de kabinetsplannen voor de mobiliteit in de komende vijftien jaar.

De man rommelde wat in papieren en, onder de tafel, op z’n smartphone. Hij smachtte naar de hutspot waarvan zijn vrouw vast nog wel een kliekje over zou hebben gehouden als hij, laat die avond, zou thuiskomen. Van Veldhoven werkte zich intussen braaf door alle vragen heen over regionale spoorproblematiek. Eerder had haar minister, Cora van Nieuwenhuizen, zich kranig geweerd in het debat over het te voeren beleid op het mobiliteitsgebied.

Jaren geleden volgde ik echte debatten in de Tweede Kamer, met welsprekende tenoren als, inderdaad, Marcus Bakker, Joop den Uyl, Hans Wiegel en, wat later, Ina Brouwer en Femke Halsema. Mijn hemel, wat een verschil met het commissieoverleg in de Thorbecke-zaal. Er moeten tegenwoordig ‘afwegingsslagen’ worden gevoerd. Er is een ‘inzet op de spits’ nodig. ‘Duurzaamheid is ook nu al integraal onderdeel’ van het beleid, en de ‘CO2-ladder’ heeft volop de aandacht.

Er is verder sprake van het ‘volop verankeren’ van dit of dat, er zijn ‘projecten X of Y’, er doen zich ‘randvoorwaardelijke eisen’ voor bij regionale projecten inzake cofinanciering van het wegennet en – wat mij betreft de droevigste – er is een ‘optelsom nodig van twee dingen samen’. Heb je geen twee dingen, laat staan samen, dan lijkt een som me hoegenaamd onmogelijk.

Wilt u nog wat platitudes uit de Thorbecke-zaal? Goed, de minister dan maar: ‘Het filemonster komt op ons toe.’ Het is ‘alle hens aan dek om mobiel te blijven’. ‘De fiets ligt bij de staatssecretaris.’ Iemand anders, vraag me niet wie, denkt dat de minister ‘daar alleen in staat’. Verder worden ons ‘robuustheidskaarten’ voorgeschoteld en hebben we te maken met ‘geluidsproductieplafonds’. Van Nieuwenhuizen had een mooie: ‘Ik ben zeker niet de mening toegedaan dat de wereld ophoudt bij Zwolle.’ Kijk, dat is een zin waar je van houdt.