De werkneemster reed het terrein van de werkgever af, een stukje achter de auto waarin onder anderen haar vriend reed. In diens auto trof de politie een grote partij cocaïne. Zowel de werkneemster als haar vriend hadden die dag geen dienst. De werkneemster en enkele anderen werden opgepakt en de werkneemster werd enkele dagen later weer in vrijheid gesteld. De werkgever zette de werkneemster op non-actief. De werkneemster ontkende iets met de invoer van de cocaïne te maken te hebben. De werkgever vroeg desondanks aan de rechter om het arbeidscontract te beëindigen vanwege hetgeen was voorgevallen en de ernstige inbreuk op het vertrouwen in de werkneemster. De werkneemster verzette zich tegen haar ontslag en ontkende ook bij de rechter elke betrokkenheid bij de invoer van cocaïne. Zij stelde zich op het standpunt dat zij ‘arbeidsrechtelijk’ voor onschuldig gehouden diende te worden. Ze was (op dat moment) immers ook strafrechtelijk niet veroordeeld.

De kantonrechter stelt voorop dat ook in het arbeidsrecht het beginsel geldt dat iemand aan enig (strafbaar) feit onschuldig is zolang zijn schuld niet is komen vast te staan: de ‘onschuldpresumptie.’ Alleen de strafrechtelijke verdenking en de daaruit voortvloeiende detentie is daarom in beginsel onvoldoende de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Echter, omdat in dit geval sprake is van een verdenking van een strafbaar feit dat gerelateerd is aan de werkplek (het beveiligde terrein van de werkgever) ligt dat anders. Aan personeel van de werkgever mogen, gelet op risico’s gerelateerd aan de werkplek en gehanteerde beveiligingsvoorschriften, hoge integriteitseisen worden gesteld. Daarbij is van belang dat de werkgever een Authorised Economic Operator (AEO)-status heeft, die bij dit soort delicten wordt bedreigd. Bovendien speelt mee dat in de verklaring van de werkneemster naar de mening van de kantonrechter rammelt. Hoewel naar het oordeel van de kantonrechter niet uitgesloten kan worden dat de werkneemster de waarheid spreekt en haar geen verwijt gemaakt kan worden van het strafbare feit, acht hij het ontbreken van vertrouwen van de werkgever in (het verhaal van) de werkneemster begrijpelijk en gerechtvaardigd. Dat de werkneemster de relatie met haar vriend nog steeds aanhoudt, werkt ook niet in haar voordeel. De arbeidsovereenkomst van de werkneemster wordt daarom ontbonden zonder ontslagvergoeding.

Doorgaans is het bestaan van een strafrechtelijke verdenking van een delict in de privésfeer geen grond voor een beëindiging van het dienstverband. Ontbinding van de arbeidsovereenkomst is echter mogelijk, ook voordat sprake is van een strafrechtelijke veroordeling, indien de verdenking bijvoorbeeld drugsmokkel op een gevoelige werkplek is en de benodigde vertrouwensband tussen werkgever en werknemer daardoor is aangetast. Ondernemers in transport en logistiek hebben in dergelijke gevallen de mogelijkheid ongewenst personeel te ontslaan.

Epke Spijkerman is spreker op het Congres Social Media in Transport & Logistiek. Daar gaat hij o.m. in op het gebruik van social media op de werkvloer, het social media reglement en het geheimhoudingsbeding. Meer informatie: www.nieuwsbladtransport.nl/smc