Tussen deze beide uitersten in werd er vorige week in de Tweede Kamer best in redelijkheid gedebatteerd over het vierde spoorwegpakket van de Europese Commissie, dat een paar dagen later ook aan de orde kwam in de Raad van de Transportministers in Brussel.

In het parlement spitst de discussie over het spoor zich toe op de reiziger. Dat ligt voor de hand, want de reiziger is een kiezer zoals een klant koning is. Spanning zit er tussen de regeringsfracties VVD en PvdA, waarbij de eerste voor en de tweede tegen meer marktwerking tussen de rails is. Tot ongelukken leidt dat niet want beide hebben in het regeerakkoord afgesproken dat de concessie voor het hoofdrailnet de komende tien jaar (tot en met 2024) weer naar de Nederlandse Spoorwegen gaat.

Voor de vrachtsector is de kwestie van de marktopening achterhaald. Het goederenvervoer over het spoor is al jaren grotendeels geliberaliseerd. Dat particuliere spoorwegbedrijven in bepaalde landen nog steeds moeilijk toegang krijgen tot de infrastructuur, heeft te maken met de kruisverbanden tussen beheer en vervoer. Daar waar die functies niet goed gescheiden zijn, wordt de vervoerder – veelal de monopolistische staatsmaatschappij – nogal eens bevoordeeld. Ook daar probeert het vierde pakket wat aan te doen. Nederland loopt met de zelfstandige positie van ProRail op dit punt al in de pas.

Toch bevat het vierde spoorpakket genoeg elementen die voor het goederenvervoer wel degelijk relevant zijn. Ondernemingen zijn veel tijd en geld kwijt met het aanvragen van vergunningen voor het gebruik van hun materieel, zeker bij grensoverschrijdend vervoer. Daarbij komt dat de technische specificaties niet in alle lidstaten hetzelfde zijn; het ene land stelt weer andere eisen dan het andere. Ook voor producenten van railmaterieel zou harmonisering een zegen zijn.

Wat een stimulans voor het goederenvervoer zou het geven als ondernemers bij één Europese instantie hun vergunningen en certificaten kunnen halen, waarna ze zonder technische beperkingen overal in de Europese Unie kunnen rijden. Behalve het belang van de reiziger moet de Tweede Kamer ook dat vooruitzicht voor ogen houden als ze zich de volgende keer over de spoorplannen van die ‘onversneden communist’ buigt.