De rivier. Dagelijks trekt er een parade voorbij van de meest uiteenlopende boten en schepen. De gebruikelijke stoet binnenschepen, natuurlijk, met hun ladingen containers en chemicaliën, de pontons met wonderlijke constructies, de duwverbanden met kolen, ertsen en graan. De baggerschepen in bonte uitvoeringen, even terug naar de werf waar ze ooit tot stand zijn gekomen.

Verder de cruiseschepen die hun volle driehonderd meter lengte pal voor onze neus afmeren en marineschepen in alle uitvoeringen, die even een paar dagen mogen overliggen aan de kade van de cruiseterminal om hun grijze massa’s staal en hun spierballen, in de vorm van dreigende kanonnen en raketafvuurinstallaties, te laten bewonderen.

Tussen dit alles door dan weer de boten van de Spido en de twee- en driemasters, die aanstonds aan een historische zeilrace gaan meedoen. We mogen de drijvende bokken niet vergeten, zoals de brave reus Matador, die bijna wekelijks met de brugwachter belt of de Erasmusbrug alsjeblieft open mag. En aan de overkant, zes-, zevenhonderd meter verderop, het statige scheepvaartkwartier met het paviljoen van de Koninklijke Roei- en Zeilvereniging De Maas en het schitterende pand waarop nog steeds fier de letters VAN UDEN staan.

De Fransen denken, dankzij de romanreeks ‘À la recherche du temps perdu’ van Marcel Proust, graag dat het Gezicht op Delft van Johannes Vermeer misschien het beste schilderij ooit en hoe dan ook het mooiste stadsgezicht aller tijden is. Dat ben ik als Delftenaar met ze eens. Maar het levende Rotterdamse Gezicht op de Maas is goede tweede.

De komende weken gaan we weer eens genieten van slaperige Franse dorpjes en landschappen. De reis gaat opnieuw naar Artichaut-les-Bains, het plaatsje dat zich overal in de Zeshoek bevindt en dat u nergens op de kaart zult kunnen aantreffen. Dat houd ik maar zo.

Folkert Nicolai