Daarom kan ik me er wel iets bij voorstellen dat Ron Kars, manager van het districentrum van Technische Unie in Alphen aan den Rijn, is uitgeroepen tot logistiek manager van het jaar 2011. Kars heeft vorige week in deze krant precies uitgelegd waar hij vijf jaar lang mee bezig is geweest. Het pand waar hij de scepter zwaait, moest binnen de bestaande muren volledig opnieuw worden ingericht om er een moderner orderpicksysteem in onder te brengen.

Maar de klant mocht dat eigenlijk niet merken. De afnemers van Technische Unie, installateurs in de bouw, dienden gewoon hun bestellingen op tijd te ontvangen. Dus moest het gebouw deeltje voor deeltje, op bijna atomair niveau, onderhanden worden genomen. Daarbij moest het personeel, dat jarenlang in een steeds veranderende bouwput werkte, voortdurend worden gemotiveerd om de winkel te runnen alsof het ‘business as usual’ betrof.

Knap als dat je lukt. Een soortgelijke waardering breng ik meer en meer op voor de logistici die betrokken zijn bij de verbouwing van de stations Rotterdam Centraal en Delft Centrum. Er zijn nog wel meer van dat soort stations die, zoals het in opgeroldemouwentaal heet, op de schop worden genomen. Zulke emplacementen zijn, dag in dag uit miniem veranderende, ogenschijnlijke puinhopen, waaruit je geleidelijk toch iets goeds ziet ontstaan. En als de treinen er niet, of niet op tijd, aankomen en vertrekken, ligt dat niet aan het bouwmanagement, maar aan de operators.

Kan Nederland dit als geheel ook? Het bouwteam in het Catshuis heeft alvast een heel rare samenstelling en de verhouding met de oppositie wordt ook gedurig slechter. De winkel is wel open, maar de verkoop stagneert. Mark Rutte zou Ron Kars even moeten bellen.

Folkert Nicolai