Melige Nederlandse eurovoorbereiders verzonnen ooit een ezelsbruggetje om te onthouden welke landen in 2002 de euro zouden invoeren. Het luidde: DING FLOF BIPS. Dit kon ook tante Do op de Albert Cuyp wel onthouden. Het was tegelijk een reeks om ‘in hindsight’ je hart bij vast te houden. Het laatste woord, de BIPS dus, sloeg immers op België, Italië, Portugal en Spanje. Dat getuigt met de wetenschap van nu van een vooruitziende geest.

Overigens kun je zeggen dat DING weliswaar uit solide geachte landen als Duitsland en Nederland bestaat, maar ook uit Ierland en Griekenland. En het middelste woord, dat rare FLOF dus, herbergt Frankrijk. Van dat land zou ik best ‘staatsbons’ willen kopen, net als van België, maar dan met een rente van 5% plus een fles Romanée-Conti per pluk van honderd. Ik wijs er hier maar even op dat België en Frankrijk niet zijn vertegenwoordigd in het nieuwe acroniem waarin het eurozoneleed is samengebald: PIIGS.

Hebben we tien jaar na dato spijt van die euro? Nee, alleen van de wijze van invoering. Die zit onze economie nu enorm dwars. De munt zelf is een zegen gebleken voor de interne handel. Dezer dagen wordt op hoog politiek niveau over de euroredding overlegd. Elke crisisdominee gaat ons voor in het gebed om een gunstige uitslag, elke voorganger van de antikerk, de heer Wilders voorop, smeekt het Opperwezen om de terugkeer van de mark, de gulden, de frank.

Waar sta ik zelf in dit eurotheologische dispuut? Aan de praktische kant. We hebben het kind, de euro, en het vuile badwater van torenhoge staatsschulden waarin vorige generaties, inmiddels lang en breed met pensioen, zich hebben gewenteld of het champagne was. Dat laatste moet eruit en er moet schoon in.

Lukt ons dat dan zullen de Chinezen en Amerikanen ons dankbaar zijn. Net als tante Do op de Albert Cuyp.

Folkert Nicolai