Deze werkzaamheden, die jaren duren, zijn aan mij niet zo besteed. Je hebt mensen die om de paar jaar hun hele huis opnieuw inrichten, alle meubels verplaatsen, elke muur een ander verfje geven en week in, week uit de gammapraxis platlopen. Veel gemeentebesturen lijken me van hetzelfde soort. Gebouwen, straatbeelden, plattegronden krijgen nauwelijks kans zich te ‘zetten’. Er moet nodig weer iets nieuws.

Intussen laat een stad als Rotterdam bijvoorbeeld de architectonisch fraaie en in potentie statige Mathenesserbuurt, één van die schaarse wijken die het bombardement overleefden, hopeloos verkommeren. Elders moeten werk- en woontorens uit de weke klei worden gejaagd waarvan voorlopig volstrekt onduidelijk is of ze straks niet voor het grootste deel zullen leegstaan. Er moet worden ‘ontwikkeld’. Dit ontwikkelen zelf is zo mogelijk belangrijker dan het resultaat ervan.

Maar nu liep ik begin deze week van de voor de zoveelste keer verlegde metrouitgang naar het spoor dat me van Rotterdam terug naar Delft zou voeren. Het was eindelijk eens aardig weer, ik stond stil en keek naar de vorderende werkzaamheden. Bouwvakkende mieren hadden een reusachtige meccanoconstructie in elkaar gesleuteld. De nieuwe stationshal opende twee uitnodigende armen naar de toekomstige reiziger. Het begon waarachtig ergens op te lijken.

Toen ik in Delft aankwam, was het inmiddels volop nazomer. Deze bouwput was nog steeds een dwarslaesie in het prinsenstedelijk lichaam, er was veel gedoe met water en damwanden, omleidingen en andere alternaties. Maar van de sidderende noodvoetgangersbrug af, hoog boven het bestaande spoor, constateerde ik wijd en zijd de vorderingen en zag dat het goed was. Voor even dan, straks begint de modderige herfst.

Folkert Nicolai