We hebben nu van doen met de piraterij voor de Somalische kust. Mannen in kleine, snelle boten praaien, woest met geweren zwaaiend, schepen in de handelsvaart. Ze klimmen aan boord en gijzelen de opvarenden om een losgeld af te dwingen. Er wordt vaak vlotjes betaald, aangezien de lading vermogens waard is en reders ook hun bemanning niet graag kwijtraken aan de haaien.
Alom wordt, nu het Somalische probleem uit de klauwen loopt en we dat in de Straat van Malakka ook nog lang niet de baas zijn, geroepen om krachtige tegenmaatregelen. De marine van diverse landen is al uitgerukt, patrouilleert preventief en slaagt er nu en dan in een bende zeerovers in te rekenen. Beveiligers ontwikkelen vernuftige afweersystemen, waaronder geluidskanonnen die gericht een zo oorverdovend lawaai op de aspirant-kapers kunnen afvuren dat hun alle lust verder wel vergaat. Andere beveiligers bieden aan, mee te varen.

Dit alles schijnt wel enigszins te werken, maar is peperduur. Ook is de schaal van het vraagstuk zo groot geworden dat reders nu openlijk de wens naar voren brengen hun eigen personeel te bewapenen en een korte cursus ‘soldaat’ te laten volgen. Het schijnt dat dit, anders dan in vorige eeuwen, niet mag. Daarin verschilt bijvoorbeeld de Nederlandse schepeling flink van de gemiddelde Amerikaanse staatsburger, die een pistool op zijn nachtkastje mag leggen voor het geval dat.

De mooiste oplossing zou uiteraard zijn dat we piraten uit Somalië, en in één moeite door hun hele land, in staat stellen in hun levensonderhoud – brood op de plank, harem, Hummer, de laatste versie van de iPad – te voorzien zonder dat ze moeten terugvallen op minder gewenst gedrag. Maar die soort oplossingen is meestal de laatste die in het brein van de geciviliseerde wereld opkomt. Er stroomt nog steeds te veel piratenbloed door onze eigen aderen.