Hoe komt het toch dat, in onze beleving, de infrastructuur niet meer opgewassen is tegen een stevig sneeuwbuitje? Was het volgens de middelbaren onder ons vroeger allemaal niet veel beter geregeld? Computers hadden we niet, en slechts een schokkerig zwart-wit tvplaatje waarop we, niet eens live, Reinier Paping in de barre winter van 1963 zagen winnen. Maar de treinen reden gewoon.

Eurocommissaris Siim Kallas die over Europees vervoer gaat, stoort zich er ook aan. Luchthavens waar de antivries op is en de startbanen niet geveegd worden: het mag nooit meer gebeuren, zegt hij. Dat soort bezweringen kennen we in Nederland. Het crisisgevoel wordt nu samenlevingbreed uitgemeten omdat het grote publiek verkleumend op perron, vertrekhal of snelweg massaal lijdt.

De transportsector lijdt meer in stilte, maar zeker niet minder. De luchtvracht is nog meer stil komen te liggen dan het passagiersverkeer; het spoorvrachtvervoer kwijnt weg op dichtgesneeuwde rangeerterreinen als Kijfhoek. Railbeheerder Prorail slaagt er weer niet in de wissels te ontdooien. Om over het wegtransport maar niet te spreken: gebrek aan strooizout laat vrachtwagens vastlopen in een cocktail van modder en fi les.

Menig politicus zal het de komende dagen Kallas nazeggen: we moeten hier van leren. Dat horen we al jaren. Strenge winters horen bij Noordwest-Europa, broeikaseffect ten spijt. De enorme toename van het vervoer en de verdichting van de infrastructuur zijn er blijkbaar niet tegen opgewassen. Wat moeten we nu echt leren? We kennen de gebruikelijke discussies over meer wegen en vervoer. Hoe we daar ook over denken, als we de bestaande infrastructuur in het koude kwart van het jaar al niet goed bruikbaar weten te houden, moeten we prioriteiten blijkbaar anders gaan leggen.