Volgens de regeringswaakhond is de onderhoudsachterstand van sluizen en bruggen urgenter dan uit de jaarverslagen van de minister van Infrastructuur en Waterstaat naar voren komt. Bestuurslid Francine Giskes wijst erop dat de kans op storingen van bruggen en sluizen toeneemt als onderhoud te lang wordt uitgesteld. Daardoor kunnen de kosten uiteindelijk hoger dan begroot uitvallen.

Uitgesteld onderhoud

Het onderzoek laat zien dat de post uitgesteld onderhoud op de begroting van verkeersminister Cora van Nieuwenhuizen vorig jaar tot 414 miljoen euro is opgelopen. Daarvan is 37 miljoen euro als achterstallig aangemerkt. Dat is aanmerkelijk meer dan vorig jaar daadwerkelijk aan beheer en onderhoud van het hoofdvaarwegennet is gespendeerd: 289 miljoen.

De Rekenkamer wijst er verder op dat extra geld, zo’n 700 miljoen euro, dat het kabinet-Rutte III vorig jaar beschikbaar stelde voor nieuwe infrastructuur pas in 2020 en 2021 daadwerkelijk kan worden uitgegeven omdat de planning van de aanleg van infrastructuur tijd vergt.

Uit het onderzoek blijkt dat de ‘niet-beschikbaarheid’ van onder meer bruggen en sluizen in de afgelopen twee jaar is verviervoudigd. De Rekenkamer uit impliciet forse kritiek op Rijkswaterstaat met de constatering dat ‘geen van de 26 sluizen en bruggen die geheel of gedeeltelijk afgesloten zijn geweest door Rijkswaterstaat was aangemerkt als achterstallig onderhoud’.