Volgens Viadonau was de sterke daling geheel te wijten aan de langdurige perioden van droogte en, daardoor, laagwater. De dienst spreekt zelfs van ‘historisch lage waterstanden’. Daarmee kon de minimum-aflaaddiepte van binnenschepen van 2,5 meter op een deel van de rivier niet worden aangehouden.

Transitovervoer

De daling deed zich vooral voor in het transitovervoer door Oostenrijk, bijvoorbeeld tussen Zuid-Duitsland en bestemmingen in Oost-Europa. Het nationale vervoer over de rivier, dus met vertrek en bestemming in Oostenrijk zelf, steeg met 18%.