Als oorzaak wijst Phelan onder meer op een te klein geworden aanbod op de markt. “De transatlantic is traditioneel een markt waarbij de dollar bepaalde in welke richting de meeste luchtvracht stroomde. Sinds enige tijd zien wij echter een trendbreuk. Zowel in-als outbound is een probleem geworden. Ik heb de indruk dat zowel de Europese als de Amerikaanse markt er zwakjes voorstaat. De koopkracht is duidelijk afgenomen” , aldus Phelan.

Skinner

De prijzenslag is geintensiveerd door een forse uitbreiding van de capaciteit op de Atlantische Oceaan. Door een noodwetje van transportminister S. Skinner zijn de secundaire luchthavens van de VS vorig jaar opengesteld voor intercontinentale vervoerders. Hierdoor zijn er enorm veel gateways naar Europa bijgekomen. Eerder ging al het vervoer via mainports zoals New York en Chicago. De passagiersmarkt is dan ook geexplodeerd. “Vooral de Amerikaanse carriers, zoals American Airlines en United, hebben hierop ingespeeld. Ze vliegen naar meer Europese steden en hebben de frequenties verhoogd om de passagiers tevreden te stellen. Ze vliegen weliswaar met de kleine B767, maar dat toestel kan toch nog een heleboel vracht in de buikruimte meenemen. Twee B767’s kunnen nog altijd meer vervoeren dan een jumbo” , zegt Phelan.
Volgens de manager zijn deze maatschappijen zo passagiersgericht dat zij zich geen zorgen maken over de kosten van vracht. “Zij redeneren: het is beter om vracht mee te nemen dan met een lege buikruimte te vliegen.” De markt voor freighters is door deze houding flink bedorven. Aer Lingus vliegt nog steeds vier keer per week met een DC8 freighter tussen Dublin en New York. “Daar wordt geen cent aan verdiend” , erkent Phelan. Maar we kunnen ze echt niet op andere markten inzetten. Dan zou er een gat vallen en de rest van ons dienstenpakket worden verstoord.”

– De prijzenoorlog op de vrachtenmarkt over de Atlantische Oceaan heeft volgens Aer Lingus een kookpunt bereikt. Aan freighterdiensten is nu geen ‘cent verdiend’.