Dat bleek tenminste tijdens de diverse conferenties inzake het convenant en inzake het ‘afvalmanagement van verpakkingen’ die de laatste weken zijn georganiseerd. Er waren bijeenkomsten in Amsterdam, georganiseerd door het SCIM, vervolgens in Maarssen en in Den Haag (Euroforum en het Studiecentrum voor Bedrijf en Overheid). Van de zijde van de contractpartners was in het ene forum alleen het bedrijfsleven aanwezig en schitterde het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer door afwezigheid, maar dat werd de andere keer weer goedgemaakt.
Daarentegen was er wel in alle gevallen belangstelling van de zijde van het bedrijfsleven, van milieu-organisaties en van afvalverwerkers. Een van de sprekers die men op alle seminars kon tegenkomen was ir. Eelco Matser van de Stichting Natuur en Milieu. Deze woordvoerder en mr. Hugo Byrnes van de Stichting Verpakking en Milieu (SVM) als vertegenwoordiger van het bedrijfsleven, bleken het op veel punten eens te zijn. Vooral wanneer het er om gaat in de toekomst zorgvuldiger om te gaan met verpakkingen die het milieu onnodig belasten.

Manco’s

Op dat punt viel er bij geen der conferenties een kwaad woord te beluisteren. Maar er is duidelijk wel sprake van verwarring, want de uitleg die beide partijen elk afzonderlijk aan bepaalde punten van het Convenant geven, is heel verschillend. En dat is voor het bedrijfsleven, dat z’n verpakkingen en verpakkingsmethoden op het Convenant moet afstemmen, niet leuk. Het maakt het nemen van de nodige beleidsbeslissingen er niet gemakkelijker op.
Byrnes probeerde duidelijk te maken waar de stichting mee bezig is en wat het stichtingsbestuur van de leden – het verpakkende bedrijfsleven en de verpakkingsindustrie – verwacht. Letterlijk zei hij: “Bedrijven dienen er voor te zorgen dat er in het jaar 2000 helemaal geen verpakkingsmateriaal meer op de afvalhoop terecht komt. Dat dienen ze te realiseren door uitsluitend nog verpakkingen te gebruiken die het milieu nauwelijks schaden en die zowel voor hergebruik geschikt zijn als gerecycled kunnen worden, waarna ze weer tot grondstof kunnen dienen.”
Om er achter te komen welke verpakkingsmaterialen aan het milieu nauwelijks schade berokkenen en om te weten te komen of die materialen geschikt zijn voor meermalig gebruik dan wel gerecycled kunnen worden, zou de SVM per 1 juni 1991 onder meer zogeheten ‘position papers’ verstrekken. De stichting is namelijk in het Convenant overeengekomen dat zij de industrie van voldoende informatie zal voorzien om haar werkzaamheden te kunnen blijven uitvoeren. Maar die ‘position papers’ zijn er nog niet. Ze komen er wel aan, zegt Byrnes: over hooguit twee maanden. En tot zolang moet iedereen dan nog maar even wachten.
Er blijken nog wel meer dingen niet te zijn geregeld door het overkoepelende orgaan van het bedrijfsleven. Zo had de SVM ook toegezegd met Eco-balansen te zullen komen. Dit zijn uiteenzettingen over de mate waarin een materiaal milieubelastend is, zowel tijdens de produktie en het gebruik als in de eindfase. Maar ook deze ‘levenscyclus-berekeningen’ zijn er nog niet. En het bedrijfsleven zit er op te wachten, want met de uitvoering van de in het Convenant overeengekomen regels kan eigenlijk niet meer worden gewacht.
Voor een der aanwezigen was de huidige situatie dan ook aanleiding om de vraag te stellen of je er als bedrijf onderuit kon. Bij voorbeeld door geen mede-ondertekenaar van het Convenant te worden. Deze vraag, die toch eigenlijk inhoudt dat een bedrijf zich aan z’n maatschappelijke verplichtingen op milieugebied wil onttrekken, werd door de zaal muisstil ontvangen. Kennelijk zitten veel mensen te hopen dat ze hun problemen op dit gebied toch nog kunnen afwentelen op de anderen.
Maar ook de aanwezige afvalverwerkers en de mensen van de gemeentelijke reinigingsdiensten hielden zich koest. Daarom ging Byrnes serieus op de vraag in. Hij wees de vraagsteller er op dat deze gehouden was – als lid van het Nederlands Verpakkings Centrum (NVC) – zich aan het Convenant te houden, omdat het bestuur van het NVC een intentieverklaring namens de aangesloten bedrijven had afgegeven. “En u bent natuurlijk wel op de vergadering geweest waar over het afgeven van die intentieverklaring een besluit is genomen” , zo hield de SVM-man de vraagsteller voor. En daarmee begreep de hele zaal dat het ernst is met het Convenant.

Verwarring

Maar niet alleen deze vraag liet iets zien van de verwarring waar veel bedrijven in verkeren. Een andere, evenzeer brandende vraag was die over de relatie van de Convenant-verplichtingen tot de nieuwe Duitse wetgeving op dit gebied. Byrnes zei dat het Convenant niet van toepassing is op verpakkingen die door Nederlandse producenten of leveranciers geexporteerd worden. Maar het is weer wel van toepassing op de verpakkingen die men vanuit het buitenland naar ons land haalt. “Voor exporteurs is dus de Duitse wetgeving van belang en in veel mindere mate het Convenant” , stelde hij vast.
Dat vond men in de zaal niet echt leuk, want er zitten hier en daar wel wat verschillen. Alleen al het feit dat Duitsland de ‘leverancier’ van een transportverpakking verplicht om deze vanaf 1 december 1991 na gebruik terug te nemen, is een andere opstelling dan die welke de Nederlandse overheid in het Convenant hanteert. “In Duitsland is de kringloop al helemaal georganiseerd, kompleet met inzamelstructuren en -organisaties” , zo kwam er een reactie uit de zaal. “Hier moet alles nog gedaan worden en niemand weet precies wat er eigenlijk gedaan moet worden of wat dat allemaal gaat kosten.”

Gemiste kans

Deze kritiek paste helemaal bij die van de woordvoerder van de milieu- organisaties. Matser vond het Convenant ronduit een gemiste kans om de zaken nu eens grondig aan te pakken. Hij wees er op dat de Stichting Verpakkingen en Milieu al sinds 1971 bestaat, maar dat het overleg met die representant van het bedrijfsleven tot nu toe weinig heeft opgeleverd. “Pas sinds 1988 is het bedrijfsleven serieus begonnen met kijken naar de relatie tussen verpakkingen en milieu” , zo hield hij de conferentiegangers voor.
Daarom was hij ook niet zo optimistisch over de eindresultaten van het Convenant als bij voorbeeld Alders en nu dus Byrnes. Ook hij gaf een letterlijke uitleg aan het Convenant: “Het is jammer dat men wel de doelstellingen kent, maar niet de concrete invulling. Daarom blijft de industrie afwachten, wat tot onzekerheid leidt bij de verpakkende bedrijven.”

Matser had vooral veel kritiek op het kennelijke onvermogen van de industrie om een aantal simpele problemen op te lossen. “Waar hebben we in vredesnaam eenpersoons verpakkingen voor nodig, zoals blikjes fris en zelfs blikjes kattevoer voor een eenmalige portie, als we over goed hersluitbare flessen en dergelijke beschikken” , zo vroeg hij zich af. “Het aanmaken van die eenpersoons dingen kost meer aan grondstoffen en aan energie dan op milieugronden verantwoord is.”

Vervanger

Ook maakte hij zich zorgen over andere verpakkingstypen: “We praten nu al een jaar over het vervangen van PVC in blisters. Maar wanneer doen we nou eens wat? En wanneer ronden we al die studies over statiegeldsystemen eens af? Iedere nieuwe studie geeft een prachtige reden om tot uitstel van invoering te besluiten. Bovendien zijn veel aannames in de studies discutabel, omdat ze oncontroleerbaar zijn en over het algemeen afkomstig zijn van de opdrachtgever van zo’n studie.”
Het moest kennelijk eens een keer gezegd worden, want een andere spreker, ir. Frans Maas van General Electric Plastics, trok het zich aan. Hij presenteerde een vervanger voor de glazen melkfles in de vorm van een fles uit polycarbonaat (PC). Dit materiaal is vreselijk sterk, is doorzichtig, heeft zeer hoge vochtbarrierewaardes en kan hoge temperaturen doorstaan, waardoor het goed kan worden gereinigd. Een dergelijke fles – met schroefdop van hetzelfde materiaal – is lichter van gewicht dan de glazen fles en kan circa 75 keer worden retourgenomen. Na het schoonmaken kan hij dan opnieuw worden gevuld en hij heeft nog een voordeel: hij kan in dezelfde vorm geblazen worden als de huidige eenliter kartonnen melkverpakkingen. “Op die manier sluit je aan bij de bestaande logistiek in de zuivelsector en hoeven de nodige investeringen niet overdreven veel te kosten” , zei Maas.
En hij voegde er gelijk aan toe dat de testcijfers en de andere gegevens openbaar zijn en intussen ook al gecontroleerd zijn door een onafhankelijk bureau. Matser vond het prima. Maar in de zaal waren er twijfels. Iemand vroeg waarom er weer een ander type fles moet komen, nu we massaal zijn overgeschakeld op polyethyleentereftalaat (PET). Maas legde uit dat PC over weer andere eigenschappen beschikt dan PET, waardoor de fles beter geschikt is voor het bewaren van melk. “Ze kan zelfs steeds weer a-septisch gevuld worden” , zei hij, daarmee kritiek weerleggend dat a-septisch vullen alleen toegepast zou kunnen worden bij eenmalige verpakkingen.
Maar de zaal en milieuvertegenwoordiger Matser bleven kritisch. “Hoe ver bent u gevorderd met het recyclen van PC?” vroeg men Maas. En hij

woordde aarzelend: “Nauwelijks” . “Hoe betrouwbaar is de kunststof pallet die uit gerecycled materiaal is vervaardigd?” vroeg een pallet-pool-owner aan hem en aan ir. Gijsbert Tweehuijsen van DSM Kunststoffen BV. Tweehuijsen was heel eerlijk: “Het is een illusie om te verwachten dat we kunststof verpakkingen in grote hoeveelheden kunnen recyclen!” Hij zei dit overigens niet als DSM- man, maar als mede-ontwikkelaar van het Convenant. En daar konden de deelnemers aan de diverse conferenties het dan mee doen.

Door Jan van de Nes