Bij de bescherming van kennis in comakership-relaties gaat het er in feite om hoe te handelen met kennis die in het partnerschap tussen leverancier en afnemer is gegenereerd en die meestal is gebaseerd op kennis die de partners daarin hebben ingebracht. De afnemer ontwikkelt nieuwe produkten of verbetert bestaande produkten in samenspel met een of meer leveranciers, met wie hij een comaker-relatie ontwikkelt. Dan gaat het in principe om het afbakenen van de bewegingsvrijheid van de leverancier. Moet de kennis volledig geheim worden gehouden of kan de leverancier die kennis geheel of gedeeltelijk aanwenden ten bate van zijn andere afnemers? In het verleden heerste daarover soms enige verwarring. Zo langzamerhand is er enige ervaring ontstaan.
Als de partijen zich bewust zijn van de draagwijdte van wat zij gezamenlijk ontwikkelen, dan hoeven er geen problemen te ontstaan, aldus prof. Cohen Jehoram. “Als er problemen ontstaan, dan ontstaan zij meestal omdat de partners het bestaan van die problemen zich pas realiseren op het moment dat zij de kop opsteken. Dan blijken een aantal zaken niet geregeld te zijn die beter wel afgedekt hadden kunnen zijn. De moeilijkheid daarvan is dat dan vaak niet altijd vaststaat wat ieders verantwoordelijkheid is, wie wat heeft ingebracht, wie eigendomsrechten kan claimen, welke kennis de leverancier al had, en zo meer. Daarover kunnen achteraf langdurige procedures ontstaan. Maar dergelijke procedures lossen in feite maar weinig op. Er is een relatie verbroken die niet verbroken had hoeven te worden, wat des te verdrietiger is als die relatie voor beide partners profijtelijk had kunnen zijn. Het heeft ook niet zoveel zin boosdoeners voor de rechter te slepen. Het kwaad is geschied en eventuele schadevergoedingen maken dat kwaad meestal niet goed.”

Manier

Belangrijk is uiteraard ook om wat voor kennis het gaat, de mate van gevoeligheid daarvan, het voordeel dat een afnemer heeft van een leverancier die zijn marktpositie met die kennis kan versterken, de concurrentieverhoudingen, en vooral de manier waarop de comakerrelatie in elkaar is gezet, aldus prof. Cohen Jehoram. “Tussen twee extreme posities – volstrekte geheimhouding en een afnemer die het niet kan schelen wat een partner met de kennis doet – zijn alle mogelijke posities denkbaar, afhankelijk van de aard van de relatie, van het produkt en van de marktverhoudingen. Een afnemer kan zeggen dat de leverancier de kennis voor derden mag gebruiken als hij de afnemer maar laat weten wie die derden zijn. De afnemer kan uit concurrentie- overwegingen bepaalde derden uitsluiten. De afnemer kan een bepaalde fee bedingen als beloning voor zijn inbreng.”
“Partijen doen er verstandig aan een checklist te maken van alle aspecten die in die relatie belangrijk zijn, wie welke kennis heeft ingebracht, hoe de verhoudingen zijn als de relatie zich ontwikkelt, welke eigendomsrechten men kan laten gelden op gemeenschappelijk ontwikkelde kennis, hoe die kennis buiten de relatie jegens derden benut mag worden, enzovoort. In een dergelijke opzet zijn allerlei verfijningen aan te brengen naarmate de relatie zich verder ontwikkelt, al naar gelang de ontwikkelingen in markt- en concurrentieverhoudingen. De juridische wetenschap heeft nog niet zoveel ervaring met comaker- problematiek. Maar je kunt je afvragen of die problematiek wel zoveel verschilt van andere eigendomsverhoudingen tussen ondernemingen, bij voorbeeld de problematiek van de industriele eigendom. Je kunt in dergelijke gevallen zeer wel tot een bevredigende afbakening van rechten en plichten komen. Ik heb ook niet de indruk dat zich daarover in de praktijk zoveel problemen voordoen.”

Vertrouwen

“De kern van de kwestie is de manier waarop een comakership-achtige relatie ontstaat, welke motieven daaraan voor alle betrokken partijen ten grondslag liggen, welke verwachtingen partijen van elkaar hebben en hoe de partners zich ten opzichte van elkaar in de relatie gedragen. Wanneer problemen verkeerd worden gedefinieerd, dan krijgt men verkeerde relaties en dus ook verkeerde contracten.” Zo vat een leverancier het probleem samen. “Een contract is niet meer dan de formele bezegeling van een relatie. Als die relatie in zich zelf niet goed is, kan je dat met een contract niet verhelpen.”
“Hoe afhankelijker de onderlinge verhoudingen in samenspel-verbanden worden, des te meer een dergelijke relatie op wederzijds vertrouwen gebaseerd moet zijn. Als een van de partijen dat vertrouwen beschaamd, doet dat zeer snel de ronde. Voor kwade trouw hoeft men dus niet zo bang te zijn want de straf daarop is de dood. Iets anders is of partijen zich bewust zijn van de implicaties van een comakership-relatie. Tal van voorbeelden waaruit blijkt dat dat niet altijd het geval is. Er zijn afnemers die met JIT-constructies hun problemen denken te kunnen oplossen door die problemen op hun leveranciers af te schuiven.” Aldus een toeleverancier die inmiddels een aantal minder succesvolle comakership-achtige constructies achter de rug heeft.

Samen doen

“Afnemers stellen bij comakershipachtige constructies dat zij bepaalde eisen aan hun leveranciers moeten stellen, maar zijn nogal eens geneigd te vergeten dat het omgekeerde evenzeer het geval is. Als machtsverhoudingen in een relatie de toon zetten, dan is de mislukking al min of meer ingebouwd. In de traditionele verhouding tussen leverancier en inkoper waren machtsverhoudingen vrijwel altijd de bepalende factor. Maar comakership, JIT, en dergelijke, vEEronderstellen dat de betrokken partijen samen streven naar probleemoplossing, samen de verantwoordelijkheden afbakenen, samen elkaars inbreng definieren, kortom: als gelijkwaardige partijen, die een gemeenschappelijk belang te verdedigen hebben, naast en niet tegenover elkaar staan. Dan komen vanzelf zaken als het eventueel afschermen van de kennis die elk van de partijen heeft ingebracht, nog zal inbrengen en gezamenlijk zullen ontwikkelen, vanzelf aan de orde. Daarin zit de moeilijkheid niet. De moeilijkheid zit in het ontwikkelen van een geheel andere attitude ten opzichte van elkaar. De partijen moeten zichzelf zien als elkaars verlengstuk, maar tegelijkertijd de eigen zelfstandigheid bewaren. Leveranciers moeten speelruimte houden ten opzichte van hun andere klanten. Dat valt best te iljoen

elen, hoe complex dergelijke verhoudingen soms ook zijn. Maar voorwaarde daarvoor is dat partijen elkaar als gelijkwaardig beschouwen. Dat is de grote breuk met het verleden.”
“Er zijn genoeg afnemers die dat inzien en daarnaar handelen in hun inkoopbeleid. Er zijn er ook nog genoeg – en eigenaardig of misschien ook niet eigenaardig: waaronder soms heel grote bedrijven – die dat niet inzien, daar althans niet naar handelen. Het probleem met dergelijke bedrijven is dikwijls dat zij zelf in moeilijkheden of in verwarring verkeren, of anderszins niet weten wat zij willen, waardoor zij geen helder samenhangend beleid kunnen ontwikkelen. Met dat soort bedrijven is het moeilijk praten.”
Dat is het standpunt van een leverancier, dat in grote trekken wordt gedeeld door afnemers die succesvolle comakership-achtige relaties met hun leveranciers hebben ontwikkeld: “Als je maar weet waar je mee bezig bent, wat je zelf als afnemer wilt en wat de problematiek van de leverancier is, dan is kennisbescherming helemaal geen probleem. Dat is ‘maar’ een onderdeel van het hele traject, dat regelbaar is zoals alle andere onderdelen van dat traject.”

Machtsverhoudingen kan je niet helemaal uitschakelen, aldus een afnemer. “Een kleine afnemer en een grote leverancier of een afnemer die om bepaalde kennis zit te springen, of een leverancier met unieke kennis, dat zijn zaken die niemand onverschillig laten. Soms kunnen de partijen zo van elkaar verschillen en hun belangen of vermeende belangen kunnen zo ver uit elkaar liggen dat het verdomd moeilijk is om tot elkaar te komen.”
“Volledige geheimhouding hangt ook af van de vraag of een leverancier bereid is een stuk van zijn kennis, het stuk dat hij in een comakership- relatie inbrengt, te blokkeren voor andere afnemers. Naarmate zijn inbreng in de ontwikkeling van nieuwe kennis groter is, zal hij daartoe des te minder bereid zijn. Als de afnemer de nieuw ontwikkelde kennis wil afschermen maar de leverancier wil zijn vrijheid van handelen niet helemaal opgeven, dan moeten er andere oplossingen worden gevonden. Dat kan in de vorm van afspraken over de vraag wie wel en wie niet van die kennis mag profiteren. Comakership-achtige relaties zijn altijd, tot op zekere hoogte, een vrijheidsbeperking. Dat is nu eenmaal de aard van het beestje. Dat hoeft geen probleem te zijn als die ‘vrijheidsbeneming’ maar evenredig is verdeeld en opweegt tegen de beoogde voordelen.”

Geblunderd

“Leveranciers, klein of groot, machtig of niet machtig, zijn ook niet bereid hun kennis te delen met een afnemer. Zeker is in elk geval dat als bepaalde samenwerkingsverbanden afgedwongen worden en partijen niet het juiste begrip voor elkaar kunnen opbrengen de partijen zichzelf op een kwaad moment toch tegenkomen. Men kan een golf van zich afduwen, maar die golf komt toch weer terug. Kennis kan dan wel als een zeef werken om onwerkbare verhoudingen bij voorbaat tegen te houden. Kennis is een gevoelige materie en partijen zijn in de meeste gevallen pas bereid hun technologische winkel open te zetten als zij vertrouwen in de relatie krijgen. Ontstaat dat vertrouwen niet, dan kan het onderling uitwisselen of delen van kennis het breekpunt zijn. Dan is iets niet ontstaan dat toch niet levensvatbaar zou zijn geweest. Maar dat is natuurlijk wat anders dan wanneer partijen in conflicten blunderen. En dat is in het verleden nog wel eens gebeurd.”

OMONS