In Belgie moet onderscheid worden gemaakt tussen regionaal opererende vervoerders, de P-bedrijven, en nationale en internationale bedrijven, de V-bedrijven. P-bedrijven hebben een wettelijke actieradius van 75 km. In de loop van het jaar zal volgens de plannen het onderscheid tussen beide verdwijnen als gevolg van een wijziging in de wetgeving die de toegang op de markt voor vervoersbedrijven regelt, vergelijkbaar met het Nederlandse wetsvoorstel voor goederenvervoer over de weg.
Die wetswijziging kan ook een positief effect hebben op het aantal nieuwkomers. Het feitelijke effect van de nieuwe reglementering is dat de wachttijd voor een P-bedrijf om een V-vergunning te krijgen, tot dusver drie jaar, aanmerkelijk wordt verkort. De teruggang van het aantal bedrijven is vooral toe te schrijven aan de P-bedrijven. Ruim driekwart van die bedrijven hebben of hadden niet meer dan een of twee vrachtauto’s. Voor veel van die bedrijven was wegvervoer een nevenactiviteit.

Groter

Een opmerkelijk gegeven is dat in Wallonie meer bedrijven verdwijnen dan in Vlaanderen. De index van V-bedrijven met 1970 als uitgangspunt ligt voor Wallonie begin 1991 op 61,6 en voor Vlaanderen op 106,9. Wat de omvang van de bedrijven betreft neemt het aantal kleine bedrijven (een tot vier wagens) in beide landsgedeelten af, neemt het aantal midddelgrote (tot 20 wagen) gestaag toe en is het aantal grote bedrijven (meer dan 20 wagens) in vergelijking met 1970 meer dan verdrievoudigd. Daarbij moet worden bedacht dat slechts elf procent van de vervoerders meer dan 20 wagens heeft en dat in de statistiek een trekker en vier opleggers als vijf voertuigen worden beschouwd.
Verder blijkt dat in de laatste twee decennia het gemiddeld aantal voertuigen per onderneming is verdrievoudigd. Het aantal kleine ondernemingen is afgenomen van 87 procent in 1970 tot 64 procent in 1991. Het aantal middelgrote is gestegen van elf tot 25 procent en het aantal grote van twee tot elf. In Wallonie ligt het aantal wagens per bedrijf lager dan in Vlaanderen, met uitzondering van Brabantse bedrijven die als Franstalig staan geregistreerd. Wallonie heeft dus relatief meer kleinere bedrijven dan Vlaanderen.
Het totaal aantal voertuigen is sinds 1970 meer dan verdubbeld. Bij de P-bedrijven verloopt de ontwikkeling tamelijk grillig: een teruggang tot 1987, in dat jaar en in 1988 een stijging, daarna weer een teruggang, en vanaf 1990 wer een stijging. Bij P- en V-bedrijven is het laadvermogen vanaf 1970 daarentegen met 229 procent toegenomen. Ook wat dat betreft verloopt de ontwikkeling bij de regionale vervoerders, de P’s, tamelijk grillig. Per onderneming stijgt het gemiddeld laadvermogen bij alle vervoerders 366 procent, bij V-bedrijven 311 procent en bij de P- bedrijven 143 procent. Wat het soort wagens betreft is er een relatief sterke stijging waar te nemen van koelwagens (isotherm en mechanisch) en andere specialistische wagens. Verder is het aantal huifwagens sterker toegenomen dan het aantal gesloten wagens.

Internationaal

Het aantal vervoerders met een internationale vergunning is vanaf 1984, het eerste jaar waarin dit type bedrijven afzonderlijk wordt geregistreerd, gestegen van 36 tot ruim 55 procent. Het aantal kleine bedrijven met een internationale vergunning is sterker gestegen dan het aantal grotere. Begin dit jaar had 57 procent van de Vlaamse en 52 procent van de Waalse V-bedrijven een internationale vergunning. Het Waalse aantal is de laatste jaren echter sterker gestegen dan het Vlaamse.
Het internationale transportbedrijf in Belgie heeft de laatste tien jaar een sterke groei gekend, die de komende jaren waarschijnlijk zal voortgaan. De investeringen in rollend en ander materieel, vervanging en uitbreiding, is in die periode steeds sterker gestegen. Ook de activiteiten van de desbetreffende bedrijven is behoorlijk toegenomen.
De liquiditeitspositie van de bedrijven is aanmerkelijk verbeterd. Het aantal bedrijven met liquiditeitsproblemen is sedert 1980 sterk teruggelopen. Het meest komen die problemen voor bij kleinere bedrijven met lange betalingstermijnen. Parallel met de groei in omvang en in activiteiten in de laatste tien jaar loopt de groei van het personeelsbestand bij internationale vervoerders en liep ook synchroon met een toenemend tekort aan vakbekwame internationale chauffeurs.
De grote Europese rederijen zijn druk aan het saneren en reorganiseren. In de afgelopen weken gaven onder meer de Nederlandse Nedlloyd en de Britse P&O met hun halfjaarbericht enig inzicht in de vorderingen die daarmee worden gemaakt. De afgelopen week was het de beurt aan de Belgische CMB-groep. Het resultaat over de eerste zes maanden is flink negatief: BEF 421 miljoen tegenover een winst van BEF 714 miljoen over het eerste semester vorig jaar. In dat verliescijfer is echter wel al heel wat pijn verwerkt en voor het tweede halfjaar wordt rekening gehouden met een aanmerkelijke verbetering van het resultaat. Zodanig zelfs dat het dividend zou kunnen worden gehandhaafd op het niveau van BEF 525, dat over 1990 werd betaald. Een aanduiding dat de onderliggende trend in de gang van zaken positief is, is de groei van de omzet met zes procent tot BEF 27.293 miljoen en de toeneming van de cash flow met acht procent tot BEF 3.359 miljoen. Een tweede positieve factor is dat CMB een forse split-up in de verhouding van 11: 1 wil doorvoeren. De verhandelbaarheid van de aandelen wordt daarmee belangrijk vergroot en dat is een van de doelstellingen die grootaandeelhouder Almabo-Exmar nastreeft. Almabo-Exmar heeft eerder dit jaar het aandelenpakket CMB dat in handen was van de Generale Bank, overgenomen maar wil dat belang terugbrengen tot zo’n 55 procent. Dat houdt dan in dat 23 procent van het kapitaal beschikbaar is voor herplaatsing. Een operatie die door de verkleining van de nominale waarde van de aandelen kan worden bevorderd.