De Haagse rechtbankpresident mr A. van Delden heeft gisteren de Novok in het ongelijk gesteld. Van Delden stelt dat de eis van de Novok dat de wet waarin de accijnsverhoging is geregeld onverbindend dient te worden verklaard, moet worden afgewezen. “omdat bij vonnis in kort geding geen verklaring voor recht kan worden gegeven” . “Dat kan eventueel alleen door middel van een bodemprocedure.”
Volgens de NOVOK is de accijnsverhoging in strijd met het Europees recht. De organisatie van vrije pomphouders deed een beroep op artikel 102 van het EEG-verdrag, dat Nederland zou verplichten om het wetsvoorstel voor te leggen aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen. Volgens Van Delden zal het Hof van Justitie geen rechtstreekse werking aan dat artikel toekennen. “Bovendien heeft de commissie niet ingegrepen in de langbestaande accijnsverschillen tussen Duitsland en Nederland en ligt het niet voor de hand dat dat nu wel zou gebeuren.”
Ook het beroep op artikel 5 van het EEG-verdrag, dat een volledige inhoudelijke behandeling in het licht van de verdragsverhoudingen van Nederland vereist, wordt afgewezen. Van Delden laat in het midden of aan dat artikel rechtstreekse werking kan worden toegekend. De president van de rechtbank stelt dat de Staat weliswaar hogere accijnzen heft dan de door de Europese Raad afgesproken minimumaccijnzen, maar dat er geen maximum accijnzen zijn afgesproken en de lidstaten daarin de vrijheid hebben. “De stelling dat door verwezenlijking van de accijnsverhoging een deelstaat het EEG-verdrag in gevaar brengt is niet juist” , aldus Van Delden.