Het besluit van Internatio-Muller is op het eerste gezicht niet erg verrassend. Na de fusie tussen transport- en ertsbedrijf Muller & Co. en handelsonderneming Internatio in 1970 is er telkens weer op gespeculeerd dat het conglomeraat de havenbelangen liever kwijt dan rijk was. Dit beeld verdient echter enige correctie. In de eerste plaats is het niet zo dat de veronderstelde desinteresse voor het havengebeuren geheel en al op het conto van Internatio kan worden geschreven. De eerste ‘uitverkoop’ van transportbelangen, de overdracht van de Koninklijke Hollandsche Lloyd en korte-vaartbedrijf Batavier aan de KNSM vlak na de fusie tussen Internatio en Muller, was een uitvloeisel van onderhandelingen die reeds jaren eerder door de Muller-directie waren aangeknoopt.

Stukgoed

De meeste aandacht heeft de politiek van Internatio-Muller in het Rotterdamse stukgoed gekregen. In 1980, toen er een ernstig conflict was gerezen over het gedwongen ontslag van 250 werknemers van stukgoeddochter Muller-Thomsen, kwamen Vervoersbond FNV en de deskundigen van de ondernemingsraad met ‘dramatische’ cijfers. Het concern werd er van beschuldigd Muller-Thomsen als melkkoe te gebruiken: tussen 1973 en 1979 had Internatio-Muller zo’n 40 miljoen gulden aan winsten en afschrijvingen aan het stuwadoorsbedrijf onttrokken. In de genoemde periode was door een laks commercieel beleid 1,8 miljoen ton lading verloren gegaan, die voor een belangrijk deel bij de Rotterdamse concurrentie terecht was gekomen. Muller-Thomsen had volgens vakbond en deskundigen de gemakkelijke weg gekozen door zich op enkele, goed betalende klanten te concentreren.
Het gaat echter te ver om Internatio-Muller op basis van deze cijfers van een ‘leegzuigpolitiek’ te beschuldigen. Tussen concerntop en directie van Muller-Thomsen bestond namelijk op dit punt geen verschil van mening: bij gebrek aan investeringsbehoefte was het mogelijk gelden aan het stuwadoorsbedrijf te onttrekken en de ingetreden prijzenslag in het stukgoed zag Muller-Thomsen als een heilloze weg.

Verliezen

Internatio-Muller heeft in de jaren tachtig haar stukgoeddochter overeind gehouden, ondanks het feit dat Muller-Thomsen chronisch en diep in de verliezen kwam. De verhoudingen werden in feite omgekeerd: andere concernonderdelen dienden de aanhoudend slechte resultaten van Muller- Thomsen te compenseren. In 1985 werd – na jaren talmen, dat wel – een begin gemaakt met een grootscheeps investeringsprogramma in het nog steeds in een tamelijk perspectiefloze positie verkerende havenbedrijf.
Internatio-Muller voldeed hiermee niet aan het beeld dat zich had gevestigd bij de vakbond en het Gemeentelijk Havenbedrijf. Die vonden namelijk dat het concern c.q. Muller-Thomsen de fysieke herstructurering in het Rotterdamse stukgoed traineerde om zoveel mogelijk geld voor de opstallen van de oude terreinen te krijgen. Plastischer gezegd: de gekozen opstelling deed meer aan die van een onroerend-goedhandelaar denken dan aan die van een stuwadoor.
Met dit predikaat was het concern het niet eens. Dit zou juist in de omstreden houding tegenover de oprichting van de gezamenlijke fruitterminal in de Merwehaven met Seaport Terminals tot uiting zijn gekomen. De onderhandelingen sleepten zich jarenlang voort, omdat Muller-Thomsen een aandeel in de nieuwe joint-venture wilde krijgen, die ook overtollige werknemers van het stuwadoorsbedrijf zou moeten overnemen. Dit tot ergernis van Seaport, die vond dat zij als enige echte fruitspecialist de hele zaak in handen moest krijgen. Uiteindelijk kwam er in 1983 een aandelenverhouding van 82-18 procent uit de bus. Welnu, zeggen ze bij Internatio-Muller achteraf, als we echte onroerend- goedhandelaren waren geweest dan hadden we ons strategisch gelegen terrein voor een fiks bedrag aan de gemeente c.q. Seaport verkocht en het fruit het fruit gelaten. En daar hebben ze natuurlijk gelijk in.

Liquidatie

De motieven van Internatio-Muller om jarenlang af te zien van een liquidatie van Muller-Thomsen moeten niet zozeer op strategisch, als wel op sociaal en financieel vlak worden gezocht. Sociaal omdat het concern bang was voor een ernstige verstoring van de sociale verhoudingen in de Rotterdamse haven als geheel, waarin Internatio ook andere belangen had. Financieel wegens het feit dat het sluiten van het bedrijf het afschrijven van een bedrag vergde, dat Internatio niet kon opbrengen. Verder meende het concern ook een morele verplichting tegenover de werknemers van Muller-Thomsen te hebben, omdat het met de oprichting van ECT in 1966 zelf aan de teruggang in het conventionele stukgoed had meegewerkt. Uiteindelijk bleek een fusie van Muller-Thomsen met diezelfde ECT in 1989 de nette oplossing waar Internatio al jaren naar zocht.
Nu moeten de transportbelangen er dan toch aan geloven. Afgaande op de berichten van het concern zelf, is dit een tamelijk recente beslissing geweest. Nog in april 1987 liet de toen afscheid nemende Internatio- topman Montijn bij de presentatie van het jaarverslag weten dat de oplossing van het probleem van het besturen van het conglomeraat gezocht werd in aanpassing van de structuur, en niet van de strategie. Vorig jaar is het concern vervolgens gebleken dat het niet mogelijk is de middelen voor de investeringen in de sectoren transport, handel en technische dienstverlening allemaal op te brengen. Blijft de vraag wie de aandelen in de havenbedrijven, waarbij het Amsterdamse CTA niet vergeten mag worden, wil kopen.