Bijna alle signalen staan op het ogenblik op onveilig.
Dat blijkt pregnant uit de ‘Statistiek Financien van Ondernemingen’, zoals het Centraal Bureau voor de Statistiek die jaarlijks uitbrengt. In de Statistiek over 1989 belicht het CBS de transportbranche afzonderlijk, in vergelijking met de nijverheid, de dienstverlening en de handel. Voor ‘transport en opslag’ rollen er in het algemeen – aanzienlijk – minder gunstige indicatoren uit dan voor de andere bedrijfstakken.

Het CBS drukt in zijn berekeningen de rentabiliteit uit als het nettoresultaat gedeeld door het eigen vermogen. In 1989 bedroeg de aldus gedefinieerde rentabiliteit in de totale transportbranche 12,5 procent. De kengetallen voor de nijverheid, de handel en de dienstverlening kwamen uit op resp. 18,7, 17,4 en 18,1 procent. Ook de rentabiliteit van het totale vermogen is in het transport gemiddeld duidelijk lager dan elders in het bedrijfsleven, namelijk zo’n kleine acht procent tegenover ruim tien bij niet- of eigen-vervoerders.

Twijfel

Een laag winstniveau en een ongunstige winstontwikkeling zijn enige tijd voor lief te nemen, zolang er uitzicht bestaat op een overtuigend herstel in een niet al te verre toekomst. En zolang je het domweg kunt volhouden. Wat het vervoer betreft, is hier reden voor twijfel.

Dat blijkt uit enkele andere kengetallen.
Het eigen vermogen ten opzichte van het totale vermogen (de solvabiliteit) is in het transport 31,8 procent, iets geringer dan in de dienstverlening en de handel en aanzienlijk minder dan in de nijverheid (37,7 procent). Het vreemd vermogen is dus verhoudingsgewijs groot, en dat komt tot uitdrukking in ook relatief hoge rentelasten.
In combinatie met een gemiddeld wat magerder bedrijfsresultaat ontstaat een vrij lage intrest coverage ratio (resultaat plus rentelasten gedeeld door de rentelasten) van 3,2. In de nijverheid was die ratio in 1989 4,6, in de handel 4,0, in de dienstverlening 5,0 en in de vier branches tezamen 4,3.
Er drukt, simpel gezegd, een torenhoge rentelast op de gemiddelde transporteur.
De omloopsnelheid van het totale vermogen (de omzet gedeeld door dat totale vermogen) is iets geringer (0,8) dan in dienstverlening en nijverheid, die rond 1,0 uitkomen. Ze is vanzelfsprekend veel kleiner dan die in de handel (1,9).
De omzet per werknemer bedraagt gemiddeld twee ton. In de nijverheid gaat het om vier ton, in de handel om een half miljoen. (In de dienstverlening overigens om gemiddeld een ton).
Dit zijn graadmeters voor de, vergeleken met andere bedrijfstakken, niet al te sterke positie van het transport. Externe financiers van die sector – denk vooral aan de banken – zullen ze ongetwijfeld scherp in zich opnemen.

Wegvervoer

Dat het wegvervoer overtuigend beter zou scoren dan andere transporteurs, is onwaarschijnlijk. Zeker als wordt bedacht dat het wegvervoer (inclusief opslag) de grootste component van de door het CBS beschouwde groep ondernemingen is.
Wat het wegvervoer betreft kunnen we inmiddels toch melding maken van een heel klein lichtpuntje. Voor de ondernemingen in het binnenlandse wegvervoer berekent NOB Wegtransport over 1990 nu een rentabiliteit (deze keer gedefinieerd als nettowinst ten opzichte van de omzet) van bij nader inzien 2,1 procent. Dit getal, gebaseerd op NEA-statistieken, valt eigenlijk nog mee: er werd tot voor kort een rentabiliteitsdaling verwacht tot 1,2 procent, zowat twee procentpunt minder dan de 3,1 procent van 1988 en 1989. Het NOB heeft dan ook de indruk dat vooral de middelgrote ondernemingen zich verrassend goed weten staande te houden.
Maar in wezen is een dergelijke rentabiliteit natuurlijk gering en als we in aanmerking nemen dat de relatief redelijke prestaties van de grotere bedrijven zwaar in het totaal meewegen, wekt het cijfer bange vermoedens over de financiele huishouding van de kleintjes.

Grensoverschrijdend

Nog veel beroerder gaat het de laatste jaren in het grensoverschrijdende vervoer, waarin de onmiddellijke concurrentie uit andere landen wordt ondervonden. In 1988 werd nog een gemiddelde rentabiliteit van 4,2 procent vastgesteld. Een jaar later was deze geslonken tot 2,3 procent en aanvankelijk werd er ernstig rekening mee gehouden dat ze over 1990 op min 0,2 procent zou uitkomen. Uiteindelijk valt het allemaal mee en rolt er over het afgelopen jaar wellicht nog een positief half procentje uit. Er hoeft uiteraard niet veel te gebeuren, of de internationale transporteur komt alsnog op een negatieve rentabiliteit uit.
Aan voorspellingen voor dit jaar waagt NOB Wegtransport zich dan ook maar liever niet.