Drie grote struikelblokken blijven nog over: het transitoverkeer door Oostenrijk en Zwitserland, de vrije toegang van EVA-vis tot de hele EG- markt, en een miljardenfonds dat de EVA-landen ter beschikking moeten stellen aan de vier ‘armere’ lidstaten van de EG. Dat zijn Spanje, Portugal, Griekenland en Ierland. Deze vier willen liever schenkingen dan de zachte leningen die EVA aanbiedt.

‘Fatale klap’

De EER-onderhandelingen gaan in september weer verder. Het had een haar gescheeld of de EG had afgelopen maandag een definitief einde gemaakt aan de onderhandelingen. EG-commissaris Frans Andriesssen zei maandagmorgen nog dat dit de laatste kans zou zijn. Een mislukking ‘zou een fatale klap toebrengen aan de vooruitzichten op een EER’.
Om de zaak niet nog dramatischer te maken was de einddatum voor de onderhandelingen over de transitoproblematiek al verschoven naar medio oktober. Alleen over de vis en het fonds zou maandag een beginselakkoord moeten komen. De Nederlandse wegtransportsector mag de Franse minister van buitenlandse zaken, Dumas, dankbaar zijn dat de onderhandelingen maandagavond niet helemaal zijn gestrand. Dumas pleitte als eerste voor verdere besprekingen in september.
Waren de onderhandelingen echt gestopt, dan was de druk ook weggevallen om Oostenrijk en Zwitserland tot zoveel mogelijk concessies te bewegen bij het Alpentransport over de weg. Dumas vroeg verder uitstel niet uit medelijden met de Nederlandse vrachtrijders. Dat had veeleer te maken met de Franse vrees dat er zich dit jaar anders nog meer EG-kandidaten, Noorwegen en Finland, op de stoep zouden komen verdringen. Er liggen ook al aanvragen van Cyprus, Malta en Turkije.

Handen vrij

De EG houdt officieel liever haar handen vrij tot 1993 wanneer ze zelf alles op een rijtje heeft staan met betrekking tot de toekomst van de Europese Gemeenschap. Pas dan zou ze met nieuwe kandidaten willen gaan onderhandelen. Met Spanje en Portugal duurden die onderhandelingen wel zeven jaar. De onderhandelingen over de EER hebben al veel losgeweekt, zodat toetredingsonderhandelingen met Oostenrijk en de Scandinavische landen op technisch vlak niet zoveel tijd hoeven te vergen, aldus EG- functionarissen. Voor die tussenperiode, vanaf 1993 tot de echte toetreding, zou de EER een soort wachtkamerfunctie kunnen vervullen.
In de praktijk blijkt dat sommige EG-landen best wat meer haast willen maken. Zo zei de Deense minister van buitenlandse zaken, Elleman Jensen, maandag dat de toetredingsonderhandelingen met Zweden al medio 1992 moeten beginnen. De Europese Commissie kreeg maandag het verzoek van de EG-raad om een advies uit te brengen, zoals gisteren over Oostenrijk. De verwachting is dat het advies over Zweden pas eind 1992 klaar is.
Ook diverse landen uit Centraal Europa, zoals Tsjecho-Slovakije, Hongarije en Polen, azen op een toekomstig lidmaatschap. Gaat de EG met teveel gretigheid in op Oostenrijkse en Zweedse aanvragen, dan voelen deze landen zich weer bedreigd in hun aspiraties. De Europese Commissie had vorige week al een eerste voorzichtig debat over verdere toetredingen.
Hoogstens twee of drie kunnen er nog bij onder het huidige stelsel, zei voorzitter Delors van de Europese Commissie onlangs. Vandaar het idee van Andriessen om een geaffilieerd lidmaatschap in het leven te roepen. Daarbij zouden landen op bepaalde gebieden, bij voorbeeld monetair, milieu, energie, met de EG mee kunnen doen. Andriessen vindt dat de EG niet langer haar ogen kan sluiten voor de drommen kandidaten die zich ongetwijfeld gaan aandienen. Het debat gaat in herfst verder.

Door Gerda van Utenhove

– Andriessen