Wetenschappers zochten naar bewijzen voor het gevaar van gassen in containers. Ze vonden in elk geval serieuze aanwijzingen.

Aan de lijst van plekken waar je – op weg naar je favoriete ‘wellness center’ – beter met een boogje omheen kan lopen (denk aan rookruimtes, asbestpanden, lekkende kerncentrales), is de afgelopen jaren de zeecontainer toegevoegd. Want veel te vaak hangen er in containers dampen van goedjes - benzeen, methylbromide, formaldehyde en co – die door wetenschappers als ongezond worden aangemerkt.

Maar hoe ongezond is het klimaat in ongeluchte containers nou werkelijk? Er zijn in de loop der jaren wel meldingen geweest van havenarbeiders van wie medische klachten zijn toegeschreven aan hun confrontaties met zeecontainers, maar het is bepaald niet zo dat er dagelijks ambulances voor de poorten van de containerterminals staan. En de gezondheidseffecten op lange termijn zijn bijzonder moeilijk in te schatten. In twee onderzoeken uit het buitenland is de afgelopen tijd geprobeerd om een wat scherper beeld te krijgen van de problematiek.

Voor een van de studies, ‘Work inside ocean freight containers; personal exposure to off-gassing chemicals’ van de Zweedse wetenschappers Urban Svedberg en Gunnar Johanson, werden metingen gedaan in importcontainers van twee grote Zweedse winkelketens. Vlak voordat de containers gestript werden, spoten de onderzoekers – met toestemming van de Swedish Ethics Committee - het gas distikstofmonoxide naar binnen, beter bekend als lachgas. Omdat dit gas normaal niet voorkomt in zeecontainers en in de gebruikte concentraties niet schadelijk is en toch makkelijk meetbaar, konden de onderzoekers het goed gebruiken om vast te stellen in hoeverre logistiek personeel bij de opening van een zeecontainer nou daadwerkelijk aan een aanwezig gas wordt blootgesteld.

De onderzoekers berekenden dat werknemers tijdens het strippen van containers worden blootgesteld aan gemiddeld 1% tot 7% van de concentraties gas die zich nog in de containers bevonden voordat ze geopend worden. Maar de meetapparatuur liet op piekmomenten tijdens de test ook blootstellingen tot wel 70% zien. De Zweedse onderzoekers concluderen dat er al met al wel degelijk een probleem is. ‘Ook al zijn de gemiddelde blootstellingen tijdens het strippen aanmerkelijk lager dan de concentraties bij aankomst van de container, toch kunnen die in risicocontainers voor overschrijdingen zorgen van de blootstellinglimieten voor werknemers.’

De gemeten hoge pieken van 70% kunnen volgens de onderzoekers tot ‘acute gezondheidseffecten’ leiden en rechtvaardigen volgens hen het nemen van voorzorgsmaatregelen voor het openen van zeecontainers. Anderzijds verklaren de lage blootstellingpercentages zoals die gemiddeld worden gemeten, alsmede de korte duur van de hogere blootstellingen, waarom er in de wetenschap tot nu toe slechts een handjevol incidenten direct in verband is gebracht met het werken in containers, aldus de Zweedse onderzoekers. ‘Ondanks het geringe aantal meldingen, hebben we het vermoeden dat zich tijdens het strippen van containers vrij veel incidenten met blootstelling voordoen. Die incidenten worden blijkbaar slechts sporadisch aan de officiële instanties gerapporteerd.’ Het gebrek aan concrete meldingen verklaart waarom blootstelling aan giftige doses van containergassen tot nu toe niet diepgaand is onderzocht door de wetenschappelijke wereld, aldus de Zweden.

Svedberg en Johanson wijzen erop dat zijzelf alleen containers met lading in dozen hebben onderzocht en dat blootstellingen bij containers met bulklading (zakken, balen, machineonderdelen, etc) allicht hoger zijn, omdat het lossen van dergelijke lading de werknemers meer tijd kost. Ook bijvoorbeeld de douane-inspecteurs die containers als eersten openmaken, worden mogelijk aan meer gas blootgesteld, aldus de onderzoekers, die daarom stellen dat nog meer onderzoek nodig is om een breder beeld te krijgen.

Als mogelijke oplossing suggereren de Zweedse onderzoekers, dat containerfabrikanten op de deuren van containers vaste ventilatiepunten zouden kunnen inbouwen, waarop dan externe, draagbare ventilatiemachines zouden kunnen worden aangesloten om frisse lucht in de containers te blazen.

Met de Zweedse vaststelling dat havenarbeiders/logistiek personeel/douaniers behoorlijke doses containergassen inademen, is nog niet bewezen dat deze mensen daardoor gezondheidsklachten krijgen. In het Australische onderzoek ‘Hazard surveillance: residual chemicals in shipping containers’ is in december 2012 geprobeerd om wel dat verband te leggen tussen blootstelling aan containergassen en gezondheidsproblemen.

Een groep wetenschappers van Purdue University, Massey University en Monash University deed in opdracht van het overheidsagentschap Safe Work Australia onderzoek onder een (kleine) groep medewerkers van logistieke bedrijven, onder meer via vragenlijsten over een uitputtende reeks gezondheidsklachten (van overmatig zweten en tintelingen in ledematen tot depressies, en van in slaap vallen op vreemde locaties tot het verliezen van zin in seks). Ook in het honderd pagina’s dikke Australische rapport is een voorname conclusie, dat er uitgebreider onderzoek nodig is en dat de resultaten van deze ‘eerste studie in zijn soort’ slechts ‘indicaties’ geeft van gezondheidsproblemen met zeecontainers. 

De ‘Maurice de Honds’ van deze wereld zullen ongetwijfeld beamen dat het Australische onderzoek geen statistisch hoogstandje is. De onderzoekers lieten hun vragenlijst invullen door 22 arbeiders die in hun werk in aanraking komen met ongestripte zeecontainers ( de ‘blootgestelde groep’) en 61 werknemers die in loodsen en distributiecentra werken, maar geen containers lossen (de ‘niet-blootgestelde groep’).

Het onderzoek leverde, voor wat het waard is, de bevinding op dat de werknemers die direct betrokken zijn bij het strippen van containers vaker bepaalde gezondheidsklachten hebben dan collega’s die ander logistiek werk doen. De ondervraagde Australische containerstrippers hebben in vergelijking met de andere logistiek werknemers vaak last van astma (31,8% versus 11,5%), geïrriteerde ogen (13,6% versus 4,9%), een loopneus (27,3% versus 3,3%) en een droge keel (22,7% versus 6,6%).

Laatst gewijzigd: