Nederland kan wel degelijk ingrijpen om te voorkomen dat bedrijven van hieruit vervuilende brandstof exporteren naar Afrika.

Sterker nog: door dat na te laten, schendt de Nederlandse overheid internationale verdragen en de mensenrechten. Die harde conclusie trekken juristen van het Amerikaanse Center for International Environmental Law (CIEL) na onderzoek in opdracht van Milieudefensie.

De analyse van de internationale wetgeving volgt op een onderzoek van de Zwitserse organisatie Public Eye over vervuilende brandstof. In de havens van Rotterdam, Amsterdam en Antwerpen wordt voor de Afrikaanse markt brandstof geproduceerd die veel meer schadelijke stoffen zoals zwavel en benzeen bevat dan in de Europese Unie is toegestaan.

Minister Lilianne Ploumen sprak er schande van, maar zag geen wettelijke mogelijkheden om in te grijpen. 'Het kabinet is niet de aangewezen entiteit om te oordelen of lokale brandstofwetgeving in strijd is met de mensenrechten’, schreef Ploumen in november in antwoord op vragen uit de Tweede Kamer. Ze voegde eraan toe dat het kabinet wel 'verwacht dat Nederlandse bedrijven in het buitenland dezelfde mensenrechtennormen hanteren als in Nederland'.

Met bedrijven als Vitol en Trafigura gaat het kabinet in gesprek 'over hun verantwoordelijkheden en de wijze waarop zij hier momenteel invulling aan geven.’ De bevindingen van Public Eye worden meegenomen in een nog te verschijnen overheidsonderzoek naar het doen en laten van Nederlandse olie- en gasbedrijven in het buitenland.

De betrokken bedrijven vinden dat ze niets verkeerd doen. Zo liet Trafigura naar aanleiding van het rapport weten 'te voldoen aan de nationale kwaliteitseisen in alle markten waar het bedrijf actief is’. Het bedrijf wees erop dat de Europese standaarden begin jaren 90 nog op hetzelfde niveau lagen als die in Afrika vandaag de dag.

Laatst gewijzigd: 06 februari 2017 10:52