Jaren geleden namen collega John en steller dezes afscheid van Camiel Eurlings, de toen min of meer nog verse verkeersminister.

Het interview zat erop, er werden handen geschud en koffiekopjes naar de pantry afgevoerd. John en ik gingen in de Haagse binnenstad, het liep al tegen vijven, nog een biertje drinken en iets eten. ‘Aardige vent’, merkte ik op. ‘Wel een beetje glad’, zei John. Ik knikte. Het is altijd handig een Limburger over een Limburger te laten oordelen. Dat is in het geval van ons Camielke wel gebleken.
 
De vraag is altijd wanneer je een politicus ontmaskert en zijn of haar minder aardige kanten blootlegt. Goed, minister Ruud Lubbers reed ooit, ergens rondom het Binnenhof, tegen een paaltje aan, slok whisky te veel op. Dat was na een lange kabinetsvergadering. Kan gebeuren. De oorlogsheld Jan Smallenbroek, oud-minister van Binnenlandse Zaken, knalde, nog iets verder terug in de tijd, waarschijnlijk onder invloed, tegen een geparkeerde auto en nam de vlucht. Niettemin werd Smallenbroek Staatsraad en kon Wim Kan het niet laten het hem toegekende Grootkruis (Smallenbroek, immers) in zijn oudejaarsconference te belichten.
 
Dat Ria Lubbers zich vaak eenzaam voelde, vernam je pas later, toen Ruud al premier was. Hoe eenzaam zal ze zijn geweest toen onze ‘koene keeper’ (dixit Dries van Agt vele jaren eerder) zijn handen niet kon afhouden van een aan Ruud ondergeschikte dame bij het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen van de VN? Geval #MeToo, maar goed, inmiddels afgehandeld en zand erover.
 
Bij Eurlings voelde je al nattigheid toen hij na zijn ministerschap werd geparachuteerd als topman van KLM in Nederland. Hij viel niet alleen door de lucht, maar zakte ook door het ijs. Toen hij weer boven water kwam, was hij lid van het Internationaal Olympisch Comité, opvolger van onder anderen Anton Geesink en prins Willem-Alexander. Of hij in het IOC zijn werk goed deed, daar heb ik geen oordeel over. Dat hij in zijn privéleven niet altijd de ‘smooth operator’ was, lijkt me inmiddels wel duidelijk.
 
‘Aardige vent’, zei ik tegen John. ‘Wel een beetje glad’, vond John. We zaten ergens aan het Plein en toostten met onze glazen. Wie schrijft het verhaal, wilden we van elkaar weten. Dat is nog lang niet af, concludeerden we. Verhalen in de krant zijn momentopnamen. De historie haalt ons altijd in.

Laatst gewijzigd: 11 januari 2018 16:28