Toen ik vijftien jaar geleden in dienst kwam, speelde de zaak De Haan.

Dat was een opmerkelijke zaak, waarin een douane-expediteur een belastingclaim werd opgelegd voor sigaretten die werden onttrokken aan het douanetoezicht. De douane was op de hoogte van de fraude, maar liet die een tijdje voortduren om bewijs te verzamelen. Het vervelende was dat de expediteur (De Haan) van niets wist aangezien de fraude bij diens opdrachtgever zat. Hoewel De Haan te goeder trouw handelde, kreeg hij toch de claim. Dat was zuur, omdat de douane De Haan had kunnen inlichten over de fraude, opdat hij het doen van aangiften kon staken. Het Hof van Justitie besliste dat de douane geen verplichting had om De Haan in te lichten in het belang van de zaak. Maar het laten voortduren van de fraude leverde wel een omstandigheid op die kwijtschelding rechtvaardigde. Na lang procederen kreeg De Haan gelijk. Daar heeft hij niet van kunnen profiteren, want de onderneming was al failliet. Typisch geval van operatie geslaagd, patiënt overleden.

Vorige week verscheen een net zo opmerkelijke zaak. Het ging om een importeur die textielproducten in het vrije verkeer bracht tegen extreem lage waarden. Zo laag, dat de douane alle reden had om te twijfelen aan de juistheid. Het probleem was dat de douane daarvoor geen bewijs kon vinden. De importeur betaalde ook feitelijk die lage waarden als prijs voor de goederen en dat is leidend in het douanerecht. De douane verrichtte een studie naar de gemiddelde prijzen van textiel en kon aantonen dat de door de importeur aangegeven waarden absurd laag waren. Maar het Gerechtshof bevestigde dat de werkelijk betaalde prijs leidend is. De douane bracht een artikel uit het Communautair Douanewetboek in stelling (181bis TCDW) waarmee de douane de aangegeven douanewaarde mocht verwerpen als zij gegronde twijfel had aan de juistheid. Maar dat artikel zag op de bevoegdheid van de douane ten tijde van de aangifte, waarbij de goederen nog niet zijn vrijgegeven. In deze zaak ging het om een controle achteraf, waarbij de goederen zich al in het vrije verkeer bevonden. Mocht de douane dan ook de bewijslast omdraaien enkel omdat zij gegronde twijfel had over de douanewaarde? Het Gerechtshof oordeelde van niet: dit kan alleen op het moment van het doen van aangifte. Dus de naheffing was van tafel. De Hoge Raad oordeelde anders. De mogelijkheid om de douanewaarde te verwerpen op grond van gegronde twijfel geldt op het moment van het doen van aangifte, maar óók op elk moment daarna. 

Met deze korte samenvatting doe ik het arrest eigenlijk tekort (zaak nr. 16/05249 ECLI:NL:HR:2017:2878). De liefhebber kan zich naar hartenlust verliezen in de overwegingen uit de conclusie van de AG en de annotaties op de uitspraken (waaronder die van ondergetekende). Maar de conclusie is dat de douane een behoorlijke vrijheid heeft om de aangegeven douanewaarde te betwisten. Het is dan aan de importeur om te bewijzen dat de douanewaarde wel juist is. 

Toch moest de douane bakzeil halen. Want de eerdere rechter had bepaald dat, ondanks alle studies van de douane, er ‘geen begin van bewijs’ was dat de aangegeven douanewaarde onjuist was. Dus was er, aldus de Hoge Raad, geen gegronde twijfel en bleef de uitspraak van het Gerechtshof in stand. Hoewel er allerlei studies waren verricht door de douane en er voldoende reden voor twijfel zou kunnen bestaan, is het vaststellen van de feiten iets wat is voorbehouden aan het Gerechtshof. De Hoge Raad moet dat aannemen als vaststaand feit. En dat ene regeltje ‘… geen begin van bewijs…’ zet een streep door de naheffing, ook al heeft de douane gelijk gekregen over de toepassing van artikel 181bis. Zo kan zelfs na vijftien jaar het douaneballetje raar rollen. Een typisch gevalletje: operatie mislukt, patiënt genezen!

Laatst gewijzigd: