Indien een werknemer op staande voet is ontslagen, kan hij de rechter verzoeken dit ongedaan te maken.

De bevoegdheid om een verzoekschrift bij de rechter in te dienen vervalt binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Voordat de rechter de vraag beantwoordt of het ontslag terecht is gegeven, dient hij dus te beoordelen of het verzoekschrift van de werknemer tijdig is ingediend. Is de werknemer te laat, dan is hij niet-ontvankelijk in zijn verzoek. De kantonrechter in Den Bosch bevestigde dit uitgangspunt onlangs. 

Feiten
De werknemer is sinds 2013 in dienst als logistiek medewerker bij Nabuurs Transport B.V. Op 16 november 2016 heeft de werknemer in de kantine een sigaret gerookt, terwijl roken daar is verboden. Hiervoor heeft de werknemer een officiële waarschuwing gekregen. Aangezien dit zijn vierde officiële waarschuwing binnen zes maanden betrof, is de werknemer op 16 november 2016 geschorst. Op 21 november 2016 is de werknemer mondeling ontslag op staande voet aangezegd. Enkele dagen later heeft de werknemer een brief ontvangen, waarin de werkgever hem tot 1 december 2016 de mogelijkheid biedt om met een vaststellingsovereenkomst in te stemmen, zodat zijn arbeidsovereenkomst via die weg eindigt. In die brief staat ook dat in het geval de werknemer niet van die mogelijkheid gebruik maakt, het ontslag op staande voet zal blijven staan. Op 30 november 2016 laat de werknemer weten dat hij het niet eens is met zijn ontslag. Hij weigert de vaststellingsovereenkomst te accepteren. De werknemer zoekt vervolgens juridische bijstand. Zijn gemachtigde neemt op 15 december 2015 contact op met de werkgever en stelt zich op het standpunt dat het ontslag onterecht is gegeven en dat de werknemer zijn werkzaamheden wenst te hervatten. In de navolgende periode hebben partijen over en weer contact, waarbij de werkgever volhoudt dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven. 

Het geschil en oordeel
Op 29 maart 2017 dient de gemachtigde namens de werknemer een verzoekschrift tot vernietiging van het gegeven ontslag op staande voet in bij de rechter. De werkgever stelt dat de werknemer in zijn verzoek niet-ontvankelijk verklaard moet worden, aangezien de termijn van twee maanden is verstreken. De werknemer stelt zich daartegenover op het standpunt dat de vervaltermijn, in zijn geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Door de werknemer een vaststellingsovereenkomst aan te bieden zou de werkgever hem in verwarring hebben gebracht en hem aan het lijntje hebben gehouden, waardoor de werkgever zich niet als goed werkgever zou hebben gedragen. Ook zou de werknemer onder toezicht van artsen staan omdat hij last had van stress, hartkloppingen en een depressie en is hij laagopgeleid en weinig weerbaar. Door deze omstandigheden zou, volgens de werknemer, de vervaltermijn in zijn geval niet moeten gelden. 

De kantonrechter verklaart de werknemer niet-ontvankelijk in zijn verzoek. Door het gegeven ontslag op staande voet op 21 november 2016 is op die datum de arbeidsovereenkomst geëindigd. Hierdoor had uiterlijk op 21 januari 2017 het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet ingediend moeten zijn. Dat brengt mee dat de vervaltermijn is verstreken. Volgens de kantonrechter is er geen reden om de vervaltermijn opzij te zetten; het aanbieden van een vaststellingsovereenkomst is geen bijzondere omstandigheid die daartoe aanleiding geeft. De omstandigheid dat partijen na het ontslag op staande voet contact hebben gehad over een eventuele beëindigingsregeling maakt dus niet dat de vervaltermijn wordt verlengd en/of gestuit. 

Conclusie
Uit bovenstaande uitspraak blijkt dat de vervaltermijn een fatale termijn is en dat de rechter deze strikt hanteert. Bij overschrijding van de termijn zal de verzoekende partij in beginsel niet-ontvankelijk worden verklaard, waardoor aan de inhoudelijke beoordeling van de kwestie niet wordt toegekomen.

Laatst gewijzigd: