‘Wordt het wat, Gerrit?’ vroeg Lydia. De aangesprokene keek schichtig om zich heen.

Elk ogenblik kon immers iemand van de pers opduiken, die er lucht van had gekregen dat hij, de romantische boekhouder, in dit restaurant met zijn partner had afgesproken. De gravlaks werd opgediend en de kust leek veilig. ‘Dit wordt het beste kabinet ooit’, zei hij, pretlichtjes in de ogen. ‘Alleen al hun banken passen mooi bij elkaar: ABN Amro, ING, Rabo. Nou ja, en de Triodos-bank, maar dat moet je iemand kunnen vergeven.’

Ze aten hun zalm, de Noord-Europese variant dan, die zijn specifieke smaak te danken had aan de aarde waaronder hij tot rijping was gekomen. ‘Lekker’, zei Lydia. ‘Mmm’, vond ook Gerrit, die eigenlijk evengoed een groentesoepje had gehad, met speklapjes en snijbonen als vervolg en chocoladepudding ten besluit. Hoe ben ik hier nu weer ingerold, dacht hij. Ik ben niet eens Minister van Staat, zoals Tjeenk – of Herman. Carel Willink? Jeminee, wat was hij slecht in namen.

Zijn papieren lagen er goed bij, overwoog hij, zijn mond afvegend. Mark Rutte had volgens menigeen in de partij zijn tijd nu wel gehad. The golden boy was Mark in elk geval niet meer. Het gerucht ging trouwens dat de demissionaire premier halverwege de nieuwe ambtstermijn Donald Tusk wilde opvolgen, de president van Europa. Het werd stellig ontkend, en dan weet je het wel. Het te verwachten regeringsprogram lag Gerrit ook wel, overwoog hij, toen het zalmbordje werd afgevoerd. Alleen met de sluiting van de kolencentrales had hij moeite, want wat zou zijn vader daarvan wel hebben gezegd?

‘Ben je er nog, Gerrit?’ wilde Lydia wel eens weten. Het hoofdgerecht werd geserveerd, een gelaagd bouwsel van zo te zien witlof, zuring, iets dat leek op de vleugels van een libel, een microscopisch dun koekje van het een of ander, een paar hoopjes spinazie en wat sputters saus in de primaire kleuren van Mondriaan er omheen. ‘Ziet er goed uit, Lydia’, zei hij, mes en vork paraat houdend. ‘Zouden ze frieten hebben?’

‘Jij gaat niet weer naar Den Haag’, zei Lydia. ‘Ik zie je het stiekem denken, maar niks ervan.’ Hij legde zijn vork neer. ‘Maar lieverd, we zijn er al.’ Ze legde haar hand op de zijne. ‘Maak jij je kabinet maar. En daarna blijf je thuis.’

Laatst gewijzigd: